Kinderen leren gezonder eten van elkaar

Kirsten Bevelander onderzocht of leeftijdgenoten elkaar beïnvloeden in voedselkeuze (gezond of ongezond) en voedselinname (veel of weinig snoepen). Ze deed dat bij kinderen van de basisschoolleeftijd, en niet in een lab, maar op hun eigen scholen en in een supermarkt. Op 28 november promoveert Bevelander op dit onderzoek aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Niet aan te ontsnappen

Op grond van verschillende experimenten concludeert de promovenda dat kinderen elkaar inderdaad beïnvloeden, en dat dit ook onbewust kan gaan. “Kinderen hebben vaak niet door dat ze het eetgedrag van een ander kopiëren. Zelfs als je ze een dag voor het experiment hebt verteld hoe imitatiegedrag werkt, hebben ze op de dag zelf niet door dat ze dat doen. Het gaat ook enorm snel: als een door ons geïnstrueerd kind iets te eten of snoepen pakte, had het andere kind, dat van niks wist, een grote kans om binnen vijf seconden ook wat te pakken.”
Niet dat Bevelander dat nou zo verbaast: “Ik ben vijf jaar met dit onderwerp bezig en ik betrap mezelf er soms nog op dat ik mijn eetgedrag aanpas aan dat van mijn gezelschap. Ik zal het wel eerder door hebben dan een ander, maar eraan ontsnappen kan ik ook niet.”

Niet alle kinderen reageren hetzelfde

Sommige kinderen laten zich minder of meer leiden door het gedrag van een leeftijdgenoot dan anderen. Bevelander ontdekte dat kinderen met overgewicht meer dan kinderen met een gezond gewicht de neiging hebben om in gezelschap van iemand die veel eet, zelf ook veel te eten. “Kinderen met een gezond gewicht stopten eerder met eten. Ook kinderen met een laag zelfbeeld zijn meer geneigd zich aan te passen aan het eetgedrag van een ander.”

Ook invloed op gezonde keuzes

Dat sociale invloed zo sterk werkt, is ook te gebruiken om gezond eetgedrag te bevorderen, denkt Bevelander. “Kinderen gaan ook minder eten als een leeftijdgenoot minder eet. En ze zijn, zo blijkt uit mijn supermarktexperiment, ook te beïnvloeden om gezondere producten te kiezen. Daarbij moet ik overigens wel een voorbehoud maken voor de jongste kinderen, want de 6- tot 8-jarigen lusten niet alles en staan soms huiverig tegenover nieuwe producten. Voor hen is die huiver vaak net wat sterker dan wat een leeftijdsgenoot doet.”

Beginnen op school

Haar onderzoeksresultaten wijzen erop, aldus Bevelander, dat het creëren van een gezonde omgeving, waarin goed voorbeeld makkelijk tot goed volgen leidt, zin heeft. En daarmee kan het beste begonnen worden op school – want daar zijn de meeste leeftijdgenoten bij elkaar. “Als kinderen opgroeien in een gezin dat ongezond eet en leeft, wordt het lastig om gezond eetgedrag vol te houden, dat is zeker zo. Maar als ze op school dingen doen als zelf groente kweken en proeven, als de meeste kinderen daar een appel eten in de pauze in plaats van een chocoprins, dan kunnen er toch andere gewoontes of normen ontstaan. Al zijn het er maar een paar, alle beetjes helpen.”

Persbericht Radboud Universiteit Nijmegen, 7-11-2013.
Bevelander KE: Social recipes for appetite. Peer influence on young people’s food choice and intake; Radboud Universiteit Nijmegen, november 2013.

(14-11-13)