MS-patiënten met vitamine D-tekort hebben grotere kans op aanval

MS is een complexe ziekte die wordt gekenmerkt door een zeer grote verscheidenheid, zowel in radiologische en pathologische bevindingen als in het ziektebeloop en respons op therapie. Voor de diagnose, behandeling, patiëntenvoorlichting en inzicht in de pathologie van MS zijn voorspellende factoren van groot belang.

Tessel Runia, onderzoeker aan het Erasmus MC-MS Centrum, heeft in haar promotieonderzoek dergelijke voorspellende factoren gevonden. Met nieuwe diagnostische criteria is de diagnose bij een deel van de patiënten eerder betrouwbaar te stellen en kan eerder met therapie worden gestart. Runia promoveerde op 23 januari jl. aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Voor haar onderzoek heeft Runia voorspellende factoren voor ‘de volgende aanval’ geïdentificeerd, zowel bij patiënten met een eerste aanval, voor wie een tweede aanval het krijgen van de diagnose klinisch definitief MS betekent, als bij patiënten met opvolgende aanvallen van MS. Bij een dergelijke aanval (ook wel Schub of relapse genoemd) treedt een verergering van de klachten op die een aantal weken aanhoudt en dan weer langzaam verdwijnt.
Runia: "Eerst hebben we de nieuwste diagnostische criteria getest. Met behulp van een MRI-scan, die genomen is na de eerste aanval, is de diagnose MS bij een deel van de patiënten sneller betrouwbaar te stellen. Het wachten op een tweede aanval is bij deze patiënten niet nodig, waardoor er eerder gestart kan worden met therapie en deze patiënten minder lang in onzekerheid verkeren. Daarna onderzochten we vermoeidheid bij patiënten met een eerste aanval. Vermoeidheid bleek al veel voor te komen in deze patiëntengroep, en bovendien voorspellend te zijn voor een latere diagnose MS.”
De onderzoekers maakten tevens een voorspelmodel voor MS, gebaseerd op bekende klinische voorspellers. Dit model bestaat uit drie risicogroepen die artsen als richtlijn kunnen gebruiken bij patiënten, bij wie na de eerste aanval nog niet duidelijk is of zij MS zullen krijgen. Een patiënt kan op basis van de voorspellende factoren in één van de drie risicogroepen worden ingedeeld. Afhankelijk van de risicogroep waarin de patiënt is ingedeeld, kan besloten worden om te starten met therapie of juist af te wachten.

Bij patiënten met opvolgende aanvallen van MS werd nauwgezet bijgehouden hoeveel vitamine D zij in hun bloed hadden. Het blijkt dat lage vitamine D-waarden samenhangen met een verhoogd risico op aanvallen van MS. “Dit is een belangrijk verband, maar geeft nog geen antwoord op de vraag of extra vitamine D slikken ook zinvol is. Dat moet vervolgonderzoek uitwijzen”, aldus Runia. Er werd geen verhoogd risico gevonden bij hoeveelheden van vitamine A of het eiwit osteopontin in het bloed, waarvan werd aangenomen dat die samen zouden hangen met aanvallen van MS.

‘Vitamine D-tekort vergroot kans op aanval MS’; persbericht Erasmus MC, 22 januari 2015.

(120215)